• Het kabinet kan niet steeds meer regels maken,
    en de kosten bij de burger neerleggen.

  • Wordt een rechtszaak voor bijna 40% van alle Nederlanders te duur?

  • Nog meer bezuinigen op de rechtsbijstand?

VSAN: Sociaal advocaten zijn juist superspecialisten

In zijn columns van 5 december 2015 (‘Te veel ‘gratis’ advocaten zijn niet goed genoeg’) en 12 december 2015 (‘Wat de politiek niet regelt eindigt in de rechtszaal’) geeft Folkert Jensma een vertekend beeld van de sociale advocatuur. Bovendien mist hij de essentie: sociale advocatuur is een specialisme ‘an sich’. Een groot deel van de zaken ziet Jensma nimmer in de rechtszaal. Die worden buiten de rechtszaal afgedaan en dat is maar goed ook.

Sociale advocatuur is een specialistische vorm van rechtsbijstand. Dat doe je er niet even ‘pro bono’ bij naast je betalende praktijk. Een gespecialiseerde sociaal advocaat heeft niet alleen een goede kennis van de rechtsgebieden die hij behandelt, maar ook een grondige kennis van de sociale kaart. Hij kan daardoor de rechtzoekende niet alleen helpen met een juridische oplossing voor het probleem waar hij mee kampt, maar ook met praktische oplossingen die buiten juridische procedures om gaan. Daarmee dient hij niet alleen het belang van de cliënt, maar wordt ook een maatschappelijk belang gediend. De inzet van de gespecialiseerde sociaal advocaat dient aldus de effectieve rechtsbedeling. Wij durven dan ook de stelling aan dat de maatschappelijke baten van de inzet van een sociaal advocaat  groter zijn dan de kosten ervan.

Met zijn opmerking dat te veel gefinancierde advocaten niet deskundig genoeg zijn suggereert Jensma dat het hier gaat om een groot deel van de advocaten, hetgeen pertinente onzin is. Jensma heeft mogelijk het rapport van de commissie Wolfsen niet goed gelezen.  De commissie is juist positief over het merendeel van de advocaten in de gefinancierde rechtsbijstand: “Er is een zeer grote groep zeer toegewijde rechtsbijstandsverleners die op een kwalitatief hoog niveau de vaak zo noodzakelijke rechtsbijstand levert aan minderdraagkrachtigen.” (pagina 27) Wel heeft de commissie signalen gekregen dat de kwaliteit wisselend van niveau is en in voorkomende gevallen onder de maat. Hieruit kan echter niet de conclusie worden getrokken die Jensma trekt.  Door de Nederlandse Orde van Advocaten worden aan alle advocaten kwaliteitseisen gesteld op het gebied van inhoudelijke bijscholing en de opzet van de praktijkvoering. Voor advocaten die deelnemen aan het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand gelden daarnaast nog aanvullende kwaliteitseisen die gesteld worden door de Raad voor Rechtsbijstand.

Jensma vindt ook dat advocaten te snel in hun loopbaan mensen kunnen bijstaan op basis van de gefinancierde rechtshulp. Daar valt niet aan te ontkomen, een beginnende advocaat moet wel daadwerkelijk kunnen beginnen. In de niet-gefinancierde rechtsbijstand is dat niet anders. Maar omdat alle begin moeilijk is, moet een beginnende advocaat werken onder supervisie van een ervaren patroon. In alle zaken, toegevoegd of  niet. De ervaringen in het tuchtrecht leren overigens dat de brekebenen niet onder de beginners moeten worden gezocht, maar juist in hoofdzaak onder de meer ervaren advocaten – die kennelijk uit een misplaatst vertrouwen in eigen kunnen de plank misslaan.

Interessant in het licht van het voorgaande is dat Jensma met de Commissie-Wolfsen meent, dat sociaal advocaten, naast zaken op toevoegbasis, ook een behoorlijk deel betalende zaken moeten doen. Deze conclusie miskent het feit dat we nou juist niet moeten willen dat bijvoorbeeld gespecialiseerde asieladvocaten betalende zaken buiten het stelsel om verrichten binnen rechtsgebieden waarin ze niet zijn gespecialiseerd. Sociaal advocaten moeten juist wél een significant deel van hun praktijk besteden aan de kwetsbaarste rechtzoekenden, omdat de kennis en kunde die juridische begeleiding van deze doelgroep vergt anders onvoldoende geborgd is (sociale kaart, kennis multi-problematiek en netwerk om te komen tot integrale oplossing).

De overheid zelf is de grootste veroorzaker van het beroep van rechtzoekenden op het subsidiestelsel. Regelgeving wordt steeds ingewikkelder en stringenter en steeds vaker raken mensen knel in het systeem. Bij het zoeken naar een oplossing van de gerezen problemen vindt de burger (of zijn raadsman) dan vaak een starre overheidsinstelling tegenover zich. Elk bestuursorgaan zou verplicht moeten worden te onderhandelen over alternatieve conflictoplossingen ongeacht de stand van de procedure. O.a. CJIB en gemeentelijke overheden zijn onvoldoende flexibel, waardoor daadwerkelijk moet worden geprocedeerd door de rechtzoekende. Het is wrang om te moeten merken dat vervolgens de rechtszoekenden en hun advocaten steeds weer het verwijt krijgen dat er teveel wordt geprocedeerd.

Inmiddels hebben de voortgaande bezuinigingen in de afgelopen jaren ongewenste effecten; kantoorverbanden vallen uiteen, ondersteunend personeel is wegbezuinigd en nieuwe aanwas van gespecialiseerde sociaal advocaten blijft uit. De sociaal advocaat verdient minder dan de gemiddelde juridische ambtenaar, die naast een hoger basisinkomen ook profiteert van een pensioenvoorziening, doorbetaalde vakanties (met vakantiegeld!) en een verzekering bij ziekte en zwangerschap die aanzienlijk goedkoper is dan het equivalent voor de zelfstandige. De sociaal advocaat doet het werk niet om er rijk van te worden. De verarming die zich de laatste jaren voordoet gaat echter wel erg ver en begint een verantwoorde praktijkvoering te bedreigen. Zo staat de sociale advocatuur tot en met 2018 op de nullijn. Des te frustrerender is het dan ook  dat iedere keer weer het beeld opduikt van de advocaat die zichzelf verrijkt ten koste van de publieke middelen.

Jensma wijdt een significant deel van zijn column van 12 december 2015 aan de ‘salarissen’ van advocaten die gesubsidieerde rechtsbijstand verlenen. 90 advocaten halen een omzet van twee ton of meer. Jensma vindt het daarbij niet  nodig om er op te wijzen dat omzet (want daar gaat het hier om)  iets geheel anders is dan winst. Huisvesting, secretariaat, literatuur, opleidingen, arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioenvoorziening moeten toch ergens uit worden betaald. Jensma laat ook na te vermelden dat die 90 beweerde veelverdieners slechts 1,1% uitmaken van het totaal aantal advocaten die deelnemen aan het stelsel.  De gretigheid waarmee deze uitzonderingen worden belicht doet vermoeden dat  het moeilijk is om afscheid te nemen van het geliefde cliché van de advocaat als gewiekste graaier – of het cliché klopt, doet er kennelijk niet zo heel veel toe (zie ook: NRC-artikel 30 mei 2015: “advocaten die slecht verdienen”).

Ook het demagogisch gegoochel met het woord ‘gratis’ advocaat doet onrecht aan de feitelijke situatie. De eigen bijdrage kan oplopen tot  €849 per zaak (alleen voor de advocaatkosten; griffiegelden, etc.  komen daar nog bij). De door Jensma genoemde praktijk dat er advocaten zijn die structureel geen eigen bijdrage innen, is uitzonderlijk. De wet laat die ruimte, het is derhalve legaal, maar de meeste advocaten houden zich hier verre van en de Nederlandse Orde van Advocaten beschouwt deze praktijk als onwenselijk. Daarbij ziet Jensma over het hoofd dat het niet innen van de eigen bijdrage niet ingegeven hoeft te zijn door concurrentiedrift. In voorkomende gevallen wordt door advocaten geen nota gestuurd omdat de desbetreffende cliënt simpelweg geen geld heeft. Het belang om ook voor deze minvermogenden rechtshulp te verlenen weegt in die gevallen zwaarder dan het eigen ondernemersbelang van de advocaat.

De slordigheid van Jensma is kwalijk, nu zijn gezaghebbende columns het draagvlak voor de gespecialiseerde sociaal advocaat verder doet afbrokkelen, hetgeen een verlies zou zijn voor de gelijke toegang tot het recht ongeacht het inkomen. Wolfsen zelf reageerde overigens bijzonder kritisch op de eerste column van Jensma op 12 december in het NRC.

Tot slot rept Jensma met geen woord over een tweede belangwekkend rapport dat enkele dagen na het rapport van de commissie Wolfsen werd gepresenteerd, te weten  het rapport van de commissie ‘Duurzaam stelsel gefinancierde rechtsbijstand’ van de Nederlandse Orde van Advocaten. Dat rapport is, zeker waar het de financiële onderbouwing betreft, dat is verricht door een onderzoeks- en adviesbureau,  aanzienlijk genuanceerder en fundamenteler dan het rapport van de Commissie Wolfsen. Laatstgenoemde commissie lijkt zich namelijk uitsluitend te baseren op de cijfers van één bron: het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Wij nodigen Jensma van harte uit op basis van verantwoord journalistiek onderzoek de sociale advocatuur kritisch te blijven volgen.

Het bestuur van de VSAN (Vereniging Sociale Advocatuur Nederland)
Hein Vogel
Reinier Feiner
Marleen van Geffen
Edwin Jonkman
Bas Vlieger
Ruth Achttienribbe
Judith Blom

Tags: , , ,

Social

FacebookTwitterLinkedin
actie