• Het kabinet kan niet steeds meer regels maken,
    en de kosten bij de burger neerleggen.

  • Wordt een rechtszaak voor bijna 40% van alle Nederlanders te duur?

  • Nog meer bezuinigen op de rechtsbijstand?

Reactie van VSAN op de brief van 6 september 2016 van de Minister met beantwoording van Kamervragen inzake de 900 puntengrens

De Vereniging Sociale Advocatuur Nederland (VSAN) heeft reeds uitgebreid gereageerd op het kabinetsstandpunt van 31 mei 2016, zie de notitie als bijlage verzonden bij een e-mail van 31 augustus jl. aan uw Commissie.

Bij brief van 6 september 2016 zijn door de minister Kamervragen beantwoord waarvan enkele antwoorden roepen om een reactie vanuit het veld. Bij deze doet de VSAN u die reactie toekomen, met de uitdrukkelijke wens dat deze notitie nog bij het algemeen overleg op van 8 september 2016 kan worden meegenomen.

Vragen 1 en 2
De eerste twee Kamervragen betreffen het plan van het kabinet om de maximumvergoeding van 2000 naar 900 punten bij te stellen. Daarbij wordt de vraag gesteld wat de meerwaarde en de noodzaak is om maximumvergoeding met meer dan de helft te verlagen.

De minister antwoordt dat de begrenzing van het aantal te declareren punten tot 900 toegevoegde waarde heeft en kan worden gerealiseerd zonder dat dit koste gaat van het aanbod van voldoende gekwalificeerde rechtsbijstandsverleners.

Hoe de minister tot dit oordeel komt acht de VSAN onbegrijpelijk. De Monitor gefinancierde rechtsbijstand 2015 laat immers zien dat in 2015 voor het eerst in de geschiedenis van de Wet op de Rechtsbijstand sprake is geweest van een daling van het aantal rechtsbijstandsverleners dat gefinancierde rechtsbijstand verleent. Verder is uit een enquête van de Nederlands Orde van Advocaten gebleken dat de verlaging catastrofale gevolgen zal hebben voor (het voortbestaan van) de praktijkvoering van veel advocaten. Dit blijkt ook uit de circa 100 e-mails van bezorgde VSAN-leden die door de VSAN zijn verzameld en die op 31 augustus jl. reeds aan uw Commissie zijn toegezonden.

De minister onderbouwt het voorstel tot verlaging verder door te verwijzen naar één grootverdiener (van de 9101 rechtsbijstandsverleners die in 2015 gefinancierde rechtsbijstand hebben verleend, dus 0,01% van het totale aantal rechtsbijstandverleners) schiet tekort en is een schoffering van alle advocaten die zich zó hard voor de doelgroep inzetten voor een relatief laag inkomen, zeker gezien het scala aan bezuinigingsmaatregelen dat de afgelopen jaren over hen is uitgestort. Gezien de maatschappelijke opvattingen die rond de beloning van de advocatuur bestaan en waarbij geen enkel onderscheid wordt gemaakt tussen de beloningen voor de sociale advocatuur en die van advocaten die slechts declarabele rechtshulp verlenen, zou de VSAN het buitengewoon op prijs stellen als de discussie rond de vergoedingen in het vervolg op basis van de volledige cijfers wordt gevoerd en niet op basis van een (uniek en ongewenst) uitzonderingsgeval.

Uit die cijfers blijkt dat het overgrote deel van de advocaten die substantiële rechtsbijstand verleent op het vlak van de gefinancierde rechtsbijstand helemaal niet buitensporig verdient. De argumentatie in de brief van de minister laat op dit punt dus ernstig te wensen over en draagt slechts bij tot ongewenste negatieve beeldvorming rond de beroepsgroep. Dergelijke argumentatie past een minister niet en zou achterwege gelaten moeten worden. Daar komt bij dat de problematiek rond de aftopping van het aantal punten per jaar bij extra uren-zaken al sinds 2011 bekend is bij het ministerie (dus zelfs vóór de start van de periode van het unieke geval dat de minister aanhaalt), zodat voor wat betreft de exorbitante vergoeding voor één advocaat over de jaren 2012-2014 het ministerie (deels) de hand in eigen boezem dient te steken. (En waar was de Raad voor Rechtsbijstand eigenlijk toen dergelijke exorbitante bedragen werden overgemaakt?) De VSAN acht het onbegrij-pelijk dat deze problematiek door de minister volledig bij de sociale advocatuur lijkt te worden gelegd.

De minister spreekt verder over een kwaliteitsrisico dat hij weg wil nemen door middel van de verlaging van het aantal punten dat jaarlijks kan worden gedeclareerd, alsmede het aantal jaarlijks te behandelen zaken.

Op welke punten de kwaliteit van de advocatuur tekort zou schieten wordt door de minister niet aangegeven. Dat kan ook niet omdat er geen enkel onderzoek bestaat waaruit zou blijken dat de kwaliteit van die de sociale advocatuur als geheel (ernstig) te kort zou schieten. Dit maakt dat de redengeving voor de verlaging van het aantal te behandelen zaken en het aantal te declareren punten goeddeels ontbreekt, hetgeen ernstig is gezien de vérstrekkende gevolgen van de voorgenomen maatregelen.

Verder geeft de minister aan een gemengde praktijk te stimuleren omdat hij dat uit het oogpunt van een gezonde bedrijfsvoering een wenselijke situatie vindt. Dit zou ook een kwaliteitsimpuls opleveren, omdat bij een gemengde praktijk de rechtsvragen waar de rechtsbijstandverlener mee te maken heeft diverser van aard kunnen zijn.

De VSAN kan deze argumentatie niet volgen. De sociale advocatuur is een vak, waarbij het bij-houden van de specialistische kennis van de problematiek waar de doelgroep mee kampt, van de eigen vakgebieden, van de Wet op de rechtsbijstand en de uitvoeringswetgeving en het beleid (zeker in het geval van een High Trust-relatie met de Raad voor Rechtsbijstand) en van de sociale kaart alle reeds beschikbare tijd volledig opslokt. En dit zou nog moeten worden uitgebreid tot een ‘meer diverse’ rechtspraktijk? De VSAN vraagt zich af welk doel precies wordt gediend met het zich ook nog moeten bezig houden met bedrijfsmatige geschillen (hoe belangrijk gespeciali-seerde rechtsbijstand voor die kwesties ook mag zijn) en geschillen van vermogende particulieren (zonder afbreuk te willen doen aan de specifieke geschillen waarmee die doelgroep vooral kampt). Gaat dát niet juist ten koste van de (terecht) zo gewenste kwaliteit? De minister ontbeert de zo belangrijke kennis van de rechtspraktijk volledig. Dit zal mede het gevolg zijn van het feit dat destijds niet één sociaal advocaat is uitgenodigd in de commissie-Wolfsen zitting te nemen.

Vragen 5, 11, 12 en 13
De vragen 5, 11, 12 en 13 worden gezamenlijk beantwoord door de minister. Deze vragen zien op de beoogde gevolgen die een verlaging van het aantal te declareren punten zal hebben voor de sociale advocatuur.

De minister geeft opnieuw aan dat het maximeren van het aantal punten een kwaliteitsmaatregel is. Het doel hiervan zou niet zijn de vraag naar gesubsidieerde rechtsbijstand te laten afnemen. Een rechtzoekende kan wanneer de eerste door hem benaderde rechtsbijstandverlener het subsi-dieplafond heeft bereikt, een andere rechtsbijstandverlener zoeken. Dit zal geen problemen opleveren omdat er in het stelsel een ruim aanbod zou zijn van rechtsbijstandverleners.

De minister laat opnieuw na aan te geven op welke punten de kwaliteit van de advocatuur tekort schiet. Ook wordt opnieuw niet verwezen naar welk onderzoek de minister daarbij precies voor ogen heeft. De VSAN zou hier namelijk graag kennis van nemen. Dit maakt ook hier dat de redengeving voor de verlaging van het aantal te behandelen zaken en het aantal te declareren punten verstrekt ontbreekt.

Verder zal de nieuwe regeling alleen maar leiden tot het rondpompen van rechtzoekenden. Wanneer de eerste rechtsbijstandverlener immers het plafond bereikt, zal een andere rechtsbijstands-verlener de rechtshulp voort moeten zetten, met de enorme administratieve rompslomp die het gevolg zal zijn van het moeten doorverwijzen van cliënten halverwege een lopende zaak omdat het maximum is bereikt. Daarbij komt dat door de minister niet in ogenschouw is genomen dat wanneer het maximum van het aantal te declareren punten is bereikt, de lopende zaken niet verder afgehandeld kunnen worden. Dit zal in strijd komen met de huidige regelgeving van de Wet op de rechtsbijstand, die bepaalt dat zolang de toevoeging niet is gewijzigd of ingetrokken, de rechts-bijstandsverlener verplicht is de nodige rechtsbijstand te verlenen8. Moet die rechtshulp dan verder om niet worden verleend?

De Minister geeft vervolgens aan dat er een ruim aanbod is van rechtsbijstandsverleners. Er waren in 2015 immers 8206 rechtsbijstand verlenen ingeschreven bij de Raad voor Rechtsbijstand.
Dit mag zo zijn, maar slechts 40% daarvan verleent structureel rechtsbijstand op basis van toevoegingen. Dit betreft de harde kern van de sociale advocatuur, waarop de rechtzoekenden die moeten wisselen van rechtsbijstandverlener aangewezen zal zijn. Een aantal dat dus (veel) beperkter is dan de minister wil doen geloven.

De minister geeft vervolgens aan dat de maatregel leidt tot lagere uitgaven ter grootte van ongeveer 2 mln euro, met tegelijkertijd een lichte stijging van de uitvoeringskosten aan de zijde van de Raad voor Rechtsbijstand voor het beslissen omtrent verzoeken om uitzondering te maken op het subsidieplafond.

De VSAN vraagt zich hierbij af waarom een dergelijke verstrekkende maatregel dan wordt ingevoerd, temeer omdat het gestelde gebrek aan kwaliteit totaal niet wordt onderbouwd en een en ander alleen maar zal leiden tot het eindeloos moeten rondpompen van rechtzoekenden onder rechtsbijstandverleners.

Antwoord op vraag 8, 9 en 10
De vragen 8, 9 en 10 zien op de gevolgen van de verlaging van de maximumvergoeding voor het inkomen van de sociaal advocaat.

De minister geeft hieromtrent aan dat bij een punttarief van € 102,50 en 1200 declarabele uren per jaar dit een omzet oplevert waarvan, na aftrek van diverse kostenposten een netto-inkomen overblijft dat vergelijkbaar is met een netto-inkomen op basis van een ambtelijke schaal 12.

De VSAN stelt voor dat de minister het eigen rekenwerk nog eens naloopt. Er vanuit gaande dat de gespecialiseerde sociale advocaat met zijn specifieke praktijkstructuur de stap naar de decla-rabele rechtspraktijk (bedrijfsgeschillen en vermogende particulieren) niet kan maken, komt het maximaal aantal te declareren punten dus op 900. Het kostenpercentage dat door de commissie Wolfsen wordt genoemd is 42.10 Bij een totale (alleen in het ideale geval te realiseren, en afgezien van eventuele oninbare eigen bijdragen die nog in mindering moeten worden gebracht op de totale vergoeding per zaak) bruto-omzet van € 92.250 leidt dat dan tot een netto-omzet van € 53.505. Wanneer hierop de reservering voor het pensioen (van € 575111) in mindering wordt gebracht resteert een bedrag van € 47.754, nog afgezien van de (torenhoge) premies voor de arbeidsonge-schiktheidsverzekering, de kostenverzekering (welke premies privé moeten worden betaald) en het afdekken van het inherente ondernemersrisico. Vervolgens dient nog inkomstenbelasting te worden afgedragen over het restant. Hoe dit zou kunnen leiden tot een netto-equivalent van een ambtelijke schaal 1212 wordt door de minister volstrekt niet inzichtelijk gemaakt. Nog daargelaten de vraag over welke periodiek van 1 tot en met 10 binnen de schaal de minister het precies heeft, welke verdere emolumenten bij een dienstverband horen en nog los van het feit dat een werknemer geen enkel ondernemersrisico loopt.

Conclusie

Op grond van bovenstaande zullen de maatregelen dus leiden tot:

Verschraling van de gespecialiseerde rechtshulp voor de doelgroep vanwege de door de minister gewenste diversifiëring;

Het rondpompen van rechtzoekenden onder de rechtsbijstandsverleners;

Verdere daling van (de reeds ingezette daling) van het aanbod van rechtsbijstandverleners vanwege het moeten stopzetten van de praktijk vanwege onvoldoende financiering;

Verschraling van de juist door de minister (terecht) gewenste kwaliteit door het nóg verder moeten bezuinigen op de bedrijfsvoering;

En in zijn algemeenheid: de ontmanteling van een perfect dekkend landelijk netwerk van hooggespecialiseerde advocaten die zich ondanks de al jaren durende bezuinigingen blijven inzetten voor de doelgroep tegen een gematigd tarief, en de navenant hoge kosten voor maatschappij en overheid (nog afgezien van de leedtoevoeging bij rechtzoekenden zelf), wanneer de doelgroep door de beoogde maatregelen voor een groot deel verstoken moet blijven van rechtshulp.

Namens de VSAN,
J.S. Vlieger
Bestuurslid VSAN

Download hier de Reactie beantwoording Kamervragen van de VSAN

Tags: ,

Social

FacebookTwitterLinkedin
actie